Historie

Historie - algemeen

Inhoud

Inleiding
De wilde stamvorm
Historie geiten in Nederland
De melkgeit
De Landgeit
De koebonte geit
Revolutie in de geitenhouderij
De Saanengeit en de witte Nederlandse geit
De Toggenburger geit
Het laatste paar Landgeiten
In Diergaarde Blijdorp
Nieuw bloed
Toekomst

DE VELUWSE GEIT - HEDEN EN VERLEDEN
Door M.T. Frankenhuis, Stichting Koninklijke Rotterdamse Diergaarde, Rotterdam, en E. Hazebroek , Rijksinstituut voor Natuurbeheer, Leersum.
Bron: Zeldzaam Huisdier - 9e jaargang nr. 1 - 1984

Inleiding

In Nederland heeft de huisgeit in de laatste 200 jaar een zeer belangrijke rol gespeeld; als vervanger van de koe voorzag het dier, vooral op het platteland de veelal zeer arme gezinnen van de broodnodige melk, mest en soms een stukje vlees. Het aantal geiten in de Lage Landen steeg van 130.000 in 1870 en 225.000 in 1910 tot 311.000 in 1919. De dieren waren min of meer van het type landgeit. Uniformiteit was in deze periode ver te zoeken; vele geiten waren gehoornd, de kleur kon variëren van bont, zwart of wit tot en met grijs en blauw. Doordat huisvesting, voeding en verzorging vaak slecht waren, kon nauwelijks een goede productie worden verwacht. Op het einde van de Tweede Wereld-oorlog telde het bestand nog ca. 200.000 dieren waarna een geleidelijke vermindering volgde. Thans telt onze geitenstapel nog zo'n 50.000 melkgeiten, waarvan er ruim 5.000 in het stamboek geregistreerd zijn.

De wilde stamvorm

Er heeft enige onzekerheid bestaan omtrent de oorsprong van onze huisgeit. Als moge-lijke stamvaders werden genoemd de Bezoargeit uit West-Azië en Kreta en de Schroef-hoorngeit uit de binnenlanden van Azië. Tegenwoordig rekent men alle geiten tot één soort waarvan de Bezoargeit, Capra aegagrus uit het Midden-Oosten werd gedomesti-ceerd. De Bezoargeit is een grote geit, waarvan de mannelijke dieren zeer lange horens (tot 150 cm) bezitten welke sabelvormig achterwaarts zijn gebogen, de voorkant is scherp. De horens van de geiten zijn ca. 25 cm lang, dun en lichtgebogen. De bokken dragen een zware baard en de vachtkleur van de dieren is doorgaans lichtbruin. Vroeger was de Bezoargeit vrij algemeen in het gebergte van Voor-Azië en op de Griekse eilanden. Hun verspreidingsgebied is thans sterk ingekrompen en in vele gebieden is het dier geheel verdwenen. Vermeldenswaard is, dat een ondersoort van de Bezoargeit, de Kretische wilde geit, nog in kleine aantallen voorkomt in enkele onbegaanbare berggebieden op het eiland Kreta. Zowel wat betreft de moeflons als de Kretische wilde geiten is meermalen het vermoeden uitgesproken, dat het hier om verwilderde gedomesticeerde schapen en geiten gaat.

Historie geiten in Nederland

De oudste resten welke wijzen op het houden van gedomesticeerde geiten dateren van 8.000 tot 7.000 v. Chr. en werden gevonden in Zuidoost-Iran en Jericho. Schedelfragmen-ten met een ouderdom van 9.000 jaar laten reeds duidelijke tekenen van domesticatie zien; gedraaide en wijd uiteenstaande horens kwamen voor en uit de doorsnede van de hoornpit bleek, dat deze weinig overeenkomst meer vertoonde met het driehoekig beeld van de Bezoargeit. De geit was aanvankelijk belangrijker dan het schaap, gezien de hoeveel-heden opgegraven skeletmateriaal. In Nederland zullen de eerste geiten vermoedelijk omstreeks 4.500 v. Chr. door boeren in Zuid-Limburg gehouden zijn. De oudste resten in ons land werden gevonden bij Vlaardingen en zijn op 2.400 v. Chr. te dateren.

De melkgeit

Evenals met de andere takken van onze veehouderij het geval is, hult ook het levens-verhaal van de melkgeit zich gedurende vele duizenden jaren in nevelen. Opgegraven skeletdelen lieten zien dat de huisgeit een plaats in onze samenleving had veroverd en bleef behouden. Pas als enkele 17e eeuwse meesters hier en daar een geit op hun doeken afbeelden, kunnen we ons enigszins een indruk vormen van het exterieur. De afgebeelde dieren welke tot het eind van de vorige eeuw in grote getale voorkwamen kunnen het best worden omschreven als Nederlandse landgeit. Ook werden wel benamingen gebruikt als Veluwse geit en Gelderse geit.

De Landgeit

Het zijn middelgrote, stevige dieren met vrij korte poten. De kleur is overwegend bont, d.w.z. wit met vlekken in de kleuren zwart, blauw of bruin of een menging daar-van. Ook komen witte, zwarte en beige dieren voor. De bokken van dit ras vallen op door hun monumentale horens, welke zich eerst naar achteren en dan zijdelings waaiervormig krommen, de punten enigszins naar boven gericht. De bokken hebben meestal een bokkenpruik, die vooral bij jonge dieren goed uitkomt, een wipneus, sik en een zwaar behaarde voorhand, terwijl de lichaamsbeharing afhangend en vrij lang is. De geiten zijn eveneens gehoornd, maar veel minder opvallend dan de bokken. De vrij korte horens buigen recht naar achteren. Zij hebben een vrij korte kop met een wat ingebogen profiel en een sikje. Hun beharing is meestal kort. Zoals reeds eerder opgemerkt was uniformiteit in type, grootte, beharing, kleur en kleurverdeling ver te zoeken en dient bovenvermelde beschrij-ving als een grootste gemene deler te worden beschouwd. De Nederlandse landgeit heeft op het punt gestaan volledig te verdwijnen. Dat dit onheil niet is geschied, is te danken aan het werk van Dr. van Bemmel, die in 1958 het allerlaatste paar geiten, afkomstig uit het Goois Natuurreservaat, naar Diergaarde Blijdorp heeft gebracht en daaruit een kleine fokgroep heeft opgebouwd. Over het wel en wee van deze fokgroep en haar nakomelingen zal aan het eind van dit artikel meer informatie volgen.

De koebonte geit

Naast de hiervoor beschreven inlandse geit zijn nog gegevens bekend van de Zeeuwse landgeit, ook wel koebonte geit genoemd. Het waren vroegrijpe en vruchtbare dieren, met een voor die tijd goede melkproductie van gemiddeld zo'n 450 kg per jaar. De huidige Bonte geit is geheel van het type witte Nederlandse kortharige geit; het oude type is ver-loren gegaan. Het was een vrij kleine, tot middelgrote, gedrongen en gespierde geit met korte sterke poten. Er kwamen diverse kleuren bij voor, zoals vaal, vaalbont, zwartbont en grijsbont. Wit was zeldzaam. Minstens 90% van deze geiten was kortharig en gehoornd. Na 1910 neemt het aantal ongehoornde dieren echter in aantal toe. Het langst kwam dit landras voor in Zeeland en Zuid Holland, vandaar dat het ook wel met de naam Zeeuwse of Zuid-Hollandse bonte geit wordt aangeduid. Aan de fokzuiverheid van de huidige bonte geiten wordt nogal eens getwijfeld, gezien de hier veel voorkomende Toggenburger koptekening. Beide oude landrassen werden zeer gewaardeerd vanwege waardevolle eigenschappen als weerstandsvermogen, lange gebruiksduur, soberheid, de geringe vatbaarheid voor tuberculose en het hoge vetgehalte van de melk. De hoeveelheid geproduceerde melk was echter gering vergeleken met vele buiten-landse rassen.

Revolutie in de geitenhouderij

Tot de eeuwwisseling was de belangstelling van wetenschap en overheid voor het wel en wee van de melkgeit gering. Kennis, inzicht, organisatie en fokmateriaal van de toen-malige geitenhouders waren van dien aard, dat selectie binnen de bestaande geitenpopulatie tot mislukken was gedoemd.
In 1913 schreef Professor Kroon dan ook in zijn "Tegenwoordige Richtingen in de Fokke-rij der Landbouwhuisdieren in Nederland": "De verregaande verwaarlozing, waarop ik daareven doelde, heeft in alle opzichten bestaan. Geen oordeelkundige keuze van fokmateriaal, te jong voor de fokkerij bezigen zowel van bokken als geiten, de bokken te veel laten dekken, voortdurend op stal houden van bokken en geiten, gebrekkige stalinrichting, donkere, dompige en vochtige hokken, slechte en dikwijls eenzijdige en onoordeelkundige voeding hebben het hunne bijgedragen om de geiten ten onzent te maken tot wat zij geworden zijn, dikwijls slecht gebouwde dieren, meermalen met door Engelse ziekte misvormde gewrichten en afwijkende standen en gangen, met weinig weerstand tegen ziekteoorzaken en gering productievermogen. In zoverre is onze geit het kind van de omstandigheden". Het einde van de vorige eeuw luidde echter ingrijpende veranderingen in voor de gehele vaderlandse geitenhouderij; veranderingen voornamelijk gericht op verhoging van de melkproductie. In navolging van België, waar door de inzet van vooral de katholieke geestelijkheid ten platte lande, grote vooruitgang werd geboekt, ontstond ook in onze zuidelijke provincies een streven tot verbetering van de inheemse geitenstapel. Overheid, landbouwmaatschappijen en particulieren beginnen nu de doorgaans finan-cieel weinig draagkrachtige geitenhouder te steunen in zijn streven naar verbetering. Een en ander resulteert in de oprichting van bokhouderijen en fokverenigingen en het stimu-leren van keuringen en tentoonstellingen en contróle op melkproductie. In 1910 wordt voor het eerst op de staatsbegroting een bedrag uitgetrokken ter bevordering van de geiten-houderij.

De Saanengeit en de witte Nederlandse geit

Vijf jaar daarvoor werd reeds op grote schaal begonnen met de import van Zwitsers fokmateriaal; de vee-importeurs Zuurbier en Visser voerden een tachtigtal Saanenbokken en geiten in. Na 1907 werden nog eens 600 Saanenbokken en geiten ingevoerd, dieren welke voornamelijk afkomstig waren uit Rheinhessen, waar de Saanengeit al vele jaren werd gefokt. Er had hier inmiddels zodanige selectie plaatsgevonden, dat de dieren beter waren voorbereid op de omstandigheden hier te lande dan de Saanengeit zelf. Mond- en klauwzeerepidemieën zorgden er evenwel voor dat na 1911 de invoer van buitenlandse geiten grotendeels tot staan werd gebracht.
Door generatielange verdringingskruisingen (Saanenbok x Landgeit of vrouwelijk kruisingsproduct) ontstond uiteindelijk de "witte Nederlandse geit", sterk gelijkend op haar Zwitserse voorouders. Het standaardtype van deze geit is wit, kortharig en ongehoornd. De frequentie van intersexen, met name bij de ongehoornde dieren, is nogal groot, het-geen een aanzienlijke schadepost betekent voor de geitenfokker. De Nederlandse witte geit is een melkrijk vruchtbaar dier, dat evenwel hoge eisen stelt aan huisvesting, voeding en verzorging.

De Toggenburger geit

Een tweede importras dat in Nederland goed heeft kunnen aarden, is de Toggenburger, eveneens afkomstig uit Zwitserland. Hoewel overal in de Lage Landen te bewonderen, ligt het zwaartepunt van de Nederlandse Toggenburgerfok nog altijd in de provincie Drente, "alwaar de provinciale commissie ter verbetering van de geitenhouderij, dit min-der veeleisende ras meer geschikt achtte voor de Drentse boerenarbeider".

Het laatste paar Landgeiten

Hoe verging het evenwel de inmiddels ernstig gedecimeerde landgeit populatie? We kunnen er van uitgaan dat door het gebruik van Saanenbokken in de hiervoor ge-noemde verdringingskruisingen, het type landgeit steeds minder voorkwam; exacte cijfers ontbreken tot dat in 1958 de laatste 2 exemplaren, een bok en een geit, terecht kwamen in de kort tevoren aangeschafte kudde heideschapen op de Crailose heide bij Bussum. Omstreeks 1955 werd namelijk een kudde heideschapen aangekocht door het Gooisch Natuurreservaat en gehuisvest in de schaapskooi op de Crailose heide. Om de kudde een beetje leiding te geven had de herder ergens een bok en een geit opgescharreld. Deze dieren werden van meet af aan Veluwse geiten genoemd; de plaats van herkomst was helaas nier meer te achterhalen. De bok was langharig, wit en grijs van kleur en getooid met de karakteristieke liervormige horens. De geit was korter van haar en zwartbont met kleine horens. Het dier was niet drachtig bij aankomst. Omdat de bok zeer voortvarend de sloop van de schaapskooi ter hand nam, drie schuurdeuren waren reeds in elkaar gebeukt, heeft de beheerder van het Gooisch Natuurreservaat, een kennis van Dr. van Bemmel, de beide dieren geschonken aan de Rotterdamse Diergaarde. Over eventuele nakomelingen verwekt tussen 1955 en 1958 zijn geen gegevens meer voorhanden.

In Diergaarde Blijdorp

Omdat inteeltproblemen waren te voorzien, werden vele pogingen ondernomen om de overgebleven landgeiten in Nederland op te sporen; er bleken echter van dit ras geen dieren meer te bestaan. Vergelijkbare dieren welke Dr. van Bemmel eens in Noorwegen had gezien, mochten helaas niet ingevoerd worden. Van de nakomelingen bezaten de meeste bokken mooie, grote liervormige horens, lange haren (ook aan de benen), een sik en hals- en buikmanen. De kleur was voorname-lijk wit, met dikwijls een zwarte ring rond de ogen. Van een aantal dieren waren ook de onderbenen donker. De meeste geiten waren bont of wit en hadden kleine, naar achter gebogen horens. Sommige mannelijke nakomelingen droegen eveneens sikkelvormige horens. Aanvankelijk waren de dieren sterk en vruchtbaar en elk jaar kon op één, maar meestal op twee nakomelingen gerekend worden. Eenmaal werd een vijfling geboren, waarvan er twee in leven bleven. Geboorteproblemen kwamen niet voor en ook sterfte onder de lammeren was een uiterst zeldzaam verschijnsel. In de periode dat de dieren in Diergaarde Blijdorp verbleven werden geen kweeën geconstateerd. Ook ziekteproblemen kwamen zelden voor; ten gevolge van een ongeluk kreeg één dier een kruisverlamming waarvan het niet meer herstelde. Voor wat betreft de huisvesting: overdag liepen de dieren op een grasveldje en 's nachts werden ze opgestald in boxen. De voedering bestond uit wit hooi ('s zomers wat gemaaid gras) en aanvullend werd een weinig haver, brood, bieten, peen, pulp, meel of lijnkoek verstrekt. De kudde bestond meestal uit 6 tot 8 dieren. Overtollige exemplaren werden in het najaar veelal opgeruimd. Nu en dan werden wat bokken en geiten verkocht, waarvan er enkele hun weg vonden naar de dierentuin van Oost-Berlijn.
Onlangs werd telefonisch contact opgenomen met Prof. Dr. Dathe, directeur van deze tuin. Bij navraag bleek, dat de kudde nog steeds bestaat en dat er in Berlijn geen ver-menging met rasloze exemplaren heeft plaats gevonden. Er zullen door de Rotterdamse Diergaarde pogingen in het werk worden gesteld om een aantal dieren weer naar Nederland te halen. Door de gedwongen, voortdurende ver-wantschapsteelt traden in toenemende mate abnormaliteiten op; het meest opvallend was dat de dieren kleiner werden en ernstige beenmisvormingen gingen vertonen. Uiteindelijk kreeg men ook nog met onvruchtbaarheid te kampen.
In augustus 1969 werden de nog bruikbare dieren (1 bok en 2 geiten) overgedaan aan het Noorderdieren-park in Emmen; de rest van de kudde van de Rotterdamse Diergaarde werd opgeruimd. De inmiddels sterk gedecimeerde "kudde" verbleef slechts enkele jaren in Emmen. Dhr. Rense, directeur van het Noorderdierenpark, vond in oude dagrapporten nog gegevens over enkele geboorten, welke in 1970 en 1971 hadden plaatsgevonden. Uiteindelijk kwam het restant in 1971 terecht op het Rijksinstituut voor Natuurbeheer in Leersum, waar men inheemse huisdierrassen in onderzoek had voor begrazingsexperi-menten. De groep telde op dat moment 7 bokken en 6 geiten, waarvan 3 bokken en 2 geiten afgevoerd moesten worden vanwege ernstige kreupelheden, ouderdom en onvruchtbaar-heid. Alle dieren, inclusief de 4 bokken en de 4 geiten, waarmee verder gefokt moest worden, vertoonden heupdysplasie en zwak beenwerk ten gevolge van dikke gewrichten en een veelal x-vormige stand van de voorbenen.

Nieuw bloed

Teneinde een nog verder voortschrijdende inteelt depressie te voorkomen werd besloten tot de aanschaf van een aantal rasloze dieren; dit in de hoop om althans het type land-geit, zij het dan niet meer raszuiver, te kunnen behouden. In totaal werden in de begin periode van de kudde op het Rijksinstituut voor Natuurbeheer 2 bokken en 6 geiten aangeschaft. Vier van de geiten waren wit, waarvan drie hoornloos, één dier was bruin met aalstreep en droeg klokjes terwijl het zesde exemplaar zwartbont van kleur was. De drie hoornloze witte dieren, Oma de Wit met twee dochters (vader onbekend), hebben, zij het pas na enkele generaties, enige invloed gehad. Oma de Wit had in totaal vier dochters, waarvan er één niet verder aan de voortplanting deel nam. Van de 8 kleindochters hebben er slechts 2 gezorgd voor nakomelingen; de geit Euphorbia (26) kreeg 7 kinderen en 27 achterkleinkinderen. Een andere kleindochter van Oma de Wit (185) verwekte een mannelijke nakomeling, welke op zijn beurt in 1983 een nieuwe generatie aan de kudde toevoegde. De Zwartbonte rasloze bok Daantje verwekte in 1976 een man-nelijke nakomeling (Karel, 94) die weliswaar voor 20 kinderen zorgde, doch slechts een gering aantal kleinkinderen achterliet. Thijs daarentegen, een isabelkleurige rasloze bok, welke kort na aankomst van de kudde op het RIN, werd aangeschaft, heeft meer invloed gehad. Thijs verwekte vier nakomelingen waarvan één bok van de verdere voortplanting werd uitgesloten; van de 23 kleinkinderen bleven 4 kleindochters en één kleinzoon hun invloed op de huidige samenstelling van de kudde behouden. Van de resterende drie rasloze geiten heeft de zwartbonte geit Rita (29) geen invloed gehad; haar drie kinderen en haar kleinkind hebben verder geen bijdrage geleverd aan de opbouw van de kudde. De twee overige geiten (Vrouwe Lieve Goed en Beige) hebben vele kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen gekregen en hun invloed op de kudde lijkt substantieel. Over het algemeen kan gesteld worden, dat de rasloze dieren welke aangeschaft werden ter vermindering van de inteelt depressie in de kudde, aan alle op dit moment in leven zijnde dieren een genetische bijdrage hebben geleverd. De zeven dieren welke vanuit het Noorder Dierenpark te Emmen naar het RIN werden overgebracht, bleken echter niet de enige overlevenden van de Blijdorpse reddingsactie te zijn; ook de heren Crusëo uit Apeldoorn en van Rhenen uit Heesch (NB) bezaten nog raszuivere exemplaren, oorspronkelijk eveneens afkomstig uit Diergaarde Blijdorp. De heer van Rhenen bezat 2 bokken en 2 geiten (Mozes en Sara met dochter en zoon); de zoon heeft ten gevolge van gewrichtsaandoeningen nimmer aan de voortplanting kun-nen deelnemen. De enige twee nakomelingen van Belle, dochter van Mozes, beide van het mannelijk geslacht, hebben slechts een geringe bijdrage aan latere generaties geleverd. Marianne, ook een dochter van Mozes, is nog in leven. De invloed van moeder Sara was daarentegen zeer groot; van haar vier kinderen zorgde er slechts één voor nakome-lingen. Deze dochter kreeg op haar beurt weer 3 zonen, waarvan er twee niet verder aan de voortplanting deelnamen. Haar zoon Kees (72) verwekte echter ruim 45 nakomelingen. De bok en de beide geiten van de Heer Crusëo hebben nimmer voor nakomelingen gezorgd. Op dit moment bestaat de kudde uit 180 dieren verdeeld over een viertal terreinen van Staatsbosbeheer, de Flevohof en een aantal kinderboerderijen en particulieren.

Toekomst (1984)

Met het oog op de toekomst van de Veluwse geit is het van het grootste belang dat de accurate registratie met betrekking tot de herkomst van alle nakomelingen, zoals het RIN die op dit moment uitvoert, gehandhaafd blijft. Alleen met behulp van het stam-boek is het mogelijk gebleken om de inteelttoename binnen aanvaardbare normen te houden. Volgens berekeningen van J.F.G. Maathuis (afstudeerscriptie, 1977) is het tot dat jaar redelijk gelukt; hij spreekt evenwel het vermoeden uit en levert bij deze prognose ook het cijfermateriaal, dat de jaarlijkse inteelttoename de getolereerde 0.5% in de tachtiger jaren zal overschrijden. Ondanks deze ietwat sombere voorspelling kan gesteld worden dat de kudde gestaag groeit en een groot deel van de huidige Landgeiten populatie, ondanks de smalle genetische basis en de niet onaanzienlijke invloed van rasloze exemplaren, bestaat uit geharde, sobere en goed gevormde rastypische dieren. Om in de toekomst de inteelttoename tot een minimum te beperken, zal een nog grotere mobiliteit van de mannelijke dieren bewerkstelligd moeten worden. Daarnaast moet een zo groot mogelijk aantal bokken worden ingezet (tenminste 10 stuks) waarbij telkens van elke vader één zoon moet worden aangehouden. De onlangs opgerichte "Fokkersclub Nederlandse Landgeiten" zal in de toekomst de zorg voor een weloverwogen fokbeleid moeten overnemen. Door de gezamenlijke inspanning van de Rotterdamse Diergaarde, het Noorderdieren-park, het Rijksinstituut voor Natuurbeheer en vele particulieren, werd de Nederlandse Landgeit van de definitieve ondergang gered; een huisdierras dat niet alleen grote cultuur-historische waarde bezit, maar mogelijk ook nog economische en wetenschappelijke waarde vertegenwoordigt.

* De auteurs danken de Heren van Bemmel, van den Berg, Stegink (Diergaarde Blijdorp) en de Heer Pak uit Tienhoven, voor de door hen verstrekte informatie.